"Ik ben niet ver.
Ik ben maar aan de andere kant.
Ik ben mijzelf, jij bent jezelf.
Wat we waren voor elkaar zijn we nog altijd.
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt.
Spreek tegen mij zoals weleer,
op dezelfde toon, niet plechtig, niet triest.
Lach om wat ons samen heeft doen lachen.
Denk aan mij, bid met mij.
Het leven is wat het altijd geweest is.
De draad is niet gebroken.
Waarom zou ik van je verwijderd zijn ?
Omdat je me niet meer ziet ?
Nee, ik ben niet ver, juist aan de andere kant van de weg.
Zie je, alles is goed.
Je zult mijn hart opnieuw ontdekken
en er de tederheid terugvinden, zuiverder dan ooit.
Dus, droog je tranen en ween niet,
als je van me houdt."
(Sint-Augustinus, in het jaar 354)
Dit zijn woorden van troost ...
van geloof ...
maar bij mij ook van onzekerheid : niet weten hoe we alles moeten verstaan ...
Maar is het dát nu juist niet wat "geloof" betekent : gelóven dat het zo is, wat gezegd wordt.
En erop vertrouwen.
Erop vertrouwen dat jij bent waar alles goed is, dat het goed is met jou.
En dat ik jouw tederheid terugvind, nu zuiverder dan ooit, dat is inderdaad meer en meer een feit.
Toch zijn er nog steeds tranen, van pijn en gemis ...
omdat ik van je hou.